TCG algemeen | Oost en West
Acupunctuur | Tuina | Kruiden

Op deze pagina's vindt u informatie over Traditionele Chinese Geneeskunde. Klik op een van de links hierboven om naar een andere pagina te gaan.


Klik op de links hieronder om gelijk naar de verschillende hoofdstukken in deze pagina te springen:

Oost en West

Als we oosterse en westerse geneeskunde met elkaar willen vergelijken, dan moeten we onderzoeken uit welke wetenschapsfilosofiëen deze disciplines zijn voortgekomen. De westerse geneeskunde, zoals die zich in Europa heeft ontwikkeld sinds de 17e eeuw stoelt op de filosofie van Rene Descartes en de latere materialist Isaac Newton. De oosterse geneeskunde heeft zijn wortels in het Taoïsme.

De Japanse filosoof Daisetz T. Suzuki maakt de verschillen tussen oosterse en westerse waardevoorstellingen en moraal duidelijk aan de hand van twee gedichten van de dichters Basjo en Tennyson. Basjo behoort tot het Oosten en Tennyson tot het Westen. Suzuki zet ze neer als vertegenwoordigers van twee fundamenteel kenmerkende benaderingen van de werkelijkheid en laat daarmeer zien hoe ieder van hen van zijn traditionele achtergrond getuigt.

Basjo (1644-'94), een groot japans dichter uit de zeventiende eeuw, maakte eens een zeventien-lettergrepig gedicht, bekend als haikoe:

Wanneer ik behoedzaam toekijk
Zie ik bij de haag
De nazoena bloeien!

Yokoe mireba
Nazoena hana sakoe
Kakine kana

Suzuki's commentaar:
"Waarschijnlijk wandelde Basjo langs een landweg toen hij bij de haag iets opmerkte wat er vrij verwaarloosd uitzag. Hij trad toen naderbij, keek er aandachtig naar en zag dat het een wilde plant was van vrij nietig voorkomen, die in het algemeen door voorbijgangers niet werd opgemerkt." Dit is een in het gedicht beschreven eenvoudig feit zonder enig tot uitdrukking gebracht dichterlijk gevoel, behalve misschien in de beide laatste lettergrepen die in het Japans kana luiden. Dit herhaaldelijk aan een zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord of bijwoord toegevoegd woordje, heeft de betekenis van een zeker gevoel van bewondering of van lof, verdriet of vreugde en kan in een andere taal soms het best worden weergegeven door een uitroepteken. In deze haikoe eindigt het hele gedicht met deze klank."

Dit is het Oosten. Vervolgens kijkt Suzuki wat het Westen in een dergelijke situatie te bieden heeft. Hij kiest Tennysson. Het kort gedicht dat hij aanhaalt, heeft iets wat Basjo zeer nabij komt.

Bloem in de gespleten muur,
Ik pluk je uit de spleten; -
Houd je hier, wortel en al, in mijn hand,
Kleine bloem - maar kon bevatten mijn verstand
Wat je bent, wortel en al, en al in al
Dan zou ik weten wat God en de mens is

Flower in the crannied wall,
I pluck you out of the crannies; -
Hold you here, root and all, in my hand,
Little flower - but if I could understand
What you are, root and all, and all in all,
I should know what God and man is.

Suzuki wijst vervolgens op twee punten:

  1. Tennyson plukt de bloem, houdt haar in zijn hand, "wortel en al", en kijkt ernaar, wellicht met ingespannen aandacht. Het is heel waarschijnlijk dat hij een gevoel had dat min of meer overeen komt met dat van Basjo, die een nazoena ontdekte in een heg langs de weg.
    Maar het verschil tussen de twee dichters is, dat Basjo de bloem niet plukt.
    Hij kijkt er alleen maar naar. Hij is in gedachten verzonken. Hij voelt iets en denkt iets, maar drukt dat niet uit. Hij laat een uitroepteken alles zeggen wat hij zeggen wil.
    Want hij heeft geen woorden om te uiten; zijn gevoel is te vol, te diep, en hij heeft geen verlangen het in een begrippenschema te vatten.
    Tennyson daarentegen is actief en analytisch. Eerst plukt hij de bloem weg van de plaats waar ze thuishoorde. Geheel verschillend van de oosterse dichter, laat hij de bloem niet met rust.
    Hij moet haar uit een spleet in de muur wegrukken, "wortel en al", wat inhoudt dat de plant moet sterven. Het lot van de plant kan hem blijkbaar niet schelen; zijn nieuwsgierigheid moet worden bevredigd. Hij pleegt vivisectie op de bloem, zoals sommige medische wetenschapmensen doen.
    Basjo raakt de nazoena zelfs niet aan, hij kijkt er alleen maar naar, hij kijkt er "behoedzaam" naar -
    dat is alles wat hij doet. Hij is volkomen inactief, een duidelijk contrast met Tennyson's dynamiek.
    Het oosten is zwijgzaam, het westen welbespraakt.
    Maar de stilte van het Oosten betekent niet; stom zijn en zonder woorden of spraak blijven.
    Stilte is immers menigmaal even veelzeggend als woordenrijkdom. Het Westen houdt van verbalisme. Maar dat niet alleen, het Westen transformeert het woord tot vlees en doet deze vleselijkheid soms te opvallend, of liever gezegd te grof en wellustig, tot uitdrukking komen in zijn kunst en religie.

  2. Wat doet Tennyson vervolgens? Kijkend naar de bloem, die naar alle waarschijnlijkheid begint te verleppen, stelt hij zichzelf de vraag: "Begrijp ik u?" Basjo is in het geheel niet nieuwsgierig.
    Hij voelt het volledig geheim dat in deze nederige nazoena wordt geopenbaard - het geheim dat diep doordringt in de bron van alle bestaan.
    Hij is dronken van dit gevoel en schreeuwt het uit in een onuitspreekbare, onhoorbare kreet.
    In tegenstelling hiermee, gaat Tennyson door met zijn verstandelijke benadering. "Als ik u kon begrijpen, zou ik weten wat God en wat de mens is."
    Zijn beroep op het begrip is typisch westers. Basjo aanvaardt, Tennyson verzet zich.
    Tennyson's individualiteit neemt afstand van de bloem, van 'God en de mens'.
    Hij vereenzelvigt zich niet met God of met de natuur. Hij is altijd van hen gescheiden.
    Zijn begrip is wat de mensen tegenwoordig noemen 'wetenschappelijk objectief'.
    Basjo is door en door 'subjectief'.

Suzuki vat het als volgt samen:

De geest van het Westen is dus: analytisch, onderscheidend, differentiërend, inductief, individualistisch, intellectueel, objectief, wetenschappelijk, generaliserend, begripsmatig, schematiserend, onpersoonlijk, redeneer-zuchtig, organiserend, macht-uitoefenend, zelfbewust, geneigd zijn wil aan anderen op te leggen enzovoort. Naast deze westerse kenmerken kunnen die van het Oosten als volgt worden gekenschetst: synthetisch, alomvattend, integrerend, niet-onderscheidend, deductief, niet-systematisch, dogmatisch, intuïtief (liever gezegd, affectief), niet-redenerend, subjectief, geestelijk individualistisch en maatschappelijk groepsbewust, enzovoorts."

Het Westen

Als we kijken naar de wetenschapsfilosofie die ten grondslag ligt aan de westerse geneeskunde, dan moeten we teruggaan naar de 17e eeuw.

De 17e eeuw is de eeuw van de lakenkoopman Antonie van Leeuwenhoek, die het presteert om lenzen te slijpen waarmee hij een microscoop ontwikkelt die 270 x vergroot.

Het is de eeuw van het rationalisme, dat wordt gekenmerkt door het idee dat het menselijk functioneren te vergelijken is met dat van een machine. Het is de eeuw van de grootste filosoof van die tijd: Descartes.

Zijn filosofie ("introductie van het analytisch en reducerend gebruik van de rede") had zo'n grote invloed dat de principes die ten grondslag liggen aan de moderne wetenschap 'cartesiaans' worden genoemd.

René Descartes

Descartes werd geboren in 1596. Hiermee is zijn biografie alweer bijna ten einde. Zijn neiging om zich te verbergen openbaart zich al vroeg. De zuigeling houdt het schouwspel van de wereld snel voor gezien en maakt aanstalten meteen weer te vertrekken. Hij dankt zijn leven aan een voedster, die zich over het zieke kind ontfermt. Ik lees bij Störig: Geschiedenis van de filosofie:

"Descartes ontving zijn wetenschappelijke opleiding in het jezuïtencollege van La Fleche. Vandaar bracht hij zijn voorliefde voor wiskunde, verbonden met een scepsis ten aanzien van alle andere wetenschappen mede. Filosoferen is voor Descartes: de metafysische vragen stellen. Het gaat hem erom een zeker fundament te verschaffen, een punt te vinden dat, zoals bij mathematische axiomen direkt zeker en inzichtelijk is en het hele bouwwerk van de filosofie dragen kan."

Dat lijkt hem te zijn gelukt: Descartes geldt als de vader van de moderne filosofie. De eerstvolgende grote stelsels van Spinoza en Leibniz staan op zijn schouders.

Descartes redeneert: "Wil men het absolute begin vinden, dan moeten eerst alle eerdere zekerheden met de grond gelijk gemaakt worden; wat tot dan toe als waarheid gold moet in twijfel worden getrokken."

Dit moeizame proces omschrijft hij op een zeker moment met de woorden:
"Ik ben per ongeluk in een diepe draaikolk terecht gekomen en ben nu zo verward, dat ik geen grond meer onder mijn voeten vind, noch naar de oppervlakte drijven kan."

De draaikolk van Descartes doet denken aan een beeld uit de Taoistische mythologie. Hierin wordt de aarde gezien als opgehangen en ingesponnen in een web van draden vanuit de hemel, die de aardse gebeurtenissen beïnvloeden.

Misschien had Descartes de twijfel gewoon moeten uithouden, omdat dit nu eenmaal de plaats is waar de mens zich bevindt: tussen hemel en aarde. Hij worstelt, komt boven en concludeert:

"Zelfs de twijfel (over God, de waarheid, de werkelijkheid), en juist de twijfel bewijst mijn bestaan. Zolang ik twijfel moet ik, de twijfelende, bestaan."

Zo komt hij tot zijn beroemde zin: "Cogito ergo sum." ("Ik denk dus ik ben.")

De filosoof J. Störig concludeert:
"Hiermee verlegt hij, in tegenstelling tot de filosofie van de middeleeuwen de plaats van de oorspronkelijkste zekerheid van God naar de mens. Het is de autonomie van het Ik, die in Descartes haar eerste maatgevende filosofische fundering vindt." "Descartes beperkt het begrip van de geest tot het denken. Omdat dieren in deze zin niet denken hebben zij ook geen deel aan de geestelijke wereld. Het zijn zuiver mechanismen, niets anders dan machines. De latere materialisten trokken de conclusie dat ook de mens niet meer dan een gecompliceerde machine is. Descartes heeft voor de zintuiglijke waarneming (de ervaring) evenals andere denkers in dit rationalistische tijdvak slechts geringschatting."

Een van de latere materialisten is de astronoom en wiskundige Isaac Newton. Hij stelde onveranderlijke en absolute natuurkundige wetten op waarmee hij het materiële universum verklaarde aan de hand van de wet van oorzaak en gevolg.
Binnen het wereldbeeld van Descartes en Newton zijn mens en natuur machines die onderhevig zijn aan mechanische wetten.
De westerse medische wetenschap is een verklarende wetenschap die wordt beheerst door het causale denken.
Hier in het westen zijn we zo doordrenkt van het causale denken, dat het voor ons de enig geldige manier is om de wereld te begrijpen.

Descartes zag het menselijk lichaam als een machine en vergeleek een gezonde man met een goede klok. Tevens maakte hij een splitsing tussen lichaam en geest:
"Er is niets in het concept van het lichaam dat aan de geest toebehoort, en niets in het concept van de geest dat aan het lichaam toebehoort."

Als je de westerse geneeskunde ziet als een studie van het functioneren van de menselijke machine, dan is de arts is de monteur die kapotte onderdelen repareert of vervangt om de machine weer aan de praat te krijgen.

De arts scheidt daarbij, evenals de monteur, het geheel in delen om aard, omvang en functie van elk deel te kunnen vaststellen. In deze benadering is het lichaam teruggebracht tot losse organen, afzonderlijke weefsels, aparte cellen en moleculen, en wordt er geen rekening gehouden met de interactie van de afzonderlijke delen binnen het geheel, de mens, zijn lichaam en geest.

De moderne westerse geneeskunde investeert veel geld in onderzoeksmethoden die de kapotte onderdelen of weefsels zo nauwkeurig mogelijk in kaart kunnen brengen (MRI, CTS, etc) en heeft verregaande methoden ontwikkeld om kapotte delen te repareren, verwijderen of te vervangen.

De arts / medisch specialist beschikt daarbij over de specialistische kennis om al die onderzoeksgegevens te interpreteren en te vertalen naar een westerse ziekte. Vervolgens beschikt hij over de protocollen, volgens welke deze ziekte bestreden moet worden.

De consequenties van deze exclusieve rol is dat hem de autoriteit en macht toebedeeld zijn wat betreft de bestrijding van de ziekte: alleen zijn technologie of medicijnen kan de patiënt genezen.

Naarmate de wetenschappelijke kennis over het lichaam toeneemt, gaat het geloof van zowel artsen als patiënten in de capaciteit van het menselijk lichaam om zichzelf te genezen verloren. Aan het zelfhelend vermogen van het lichaam wordt nauwelijks aandacht besteed.

Met de macht die artsen over hun patiënten verwerven, verschuift ook de verantwoordelijkheid voor ziekte en ziek zijn. De mens als patiënt geeft daarmee de verantwoordelijkheid voor zijn eigen gezondheid uit handen.

Dr Berndt Rieger beschrijft in zijn boek "De pijnstillerleugen" deze verschuiving van de verantwoordelijkheid voor ziekte en genezing als volgt:

"We zien hier twee veschillende tradities in de behandeling van ziekteverschijnselen aan het werk, die van het Oosten en die van het Westen. De westerling zoekt naar de snelste en meest pijnloze behandeling, bij voorkeur een aanpak waarbij een geheimzinnig, door vreemde krachten gecreëerd medicament moet worden geslikt. Hij is bereid om voor deze tovernarij en de bijbehorende beloften te betalen, maar de hoofdzaak is dat hij onmiddellijk kan bespeuren dat hij er baat bij heeft en er zich zelf het hoofd niet over hoeft te breken. Hij voelt er niets voor over zijn ziekte na te denken of er zelf verantwoordelijkheid voor te nemen. Voor hem is de kunst van het genezen een aangelegenheid van wijze Druïden, die hem met de vruchten van onbegrijpelijke inzichten heplen beter te worden. "Soms helpt het wel iets, dokter", hoor je patiënten in de spreekkamer vaak zeggen. Of met een mengeling van verwijten en hoop: "Het heeft bijna een beetje geholpen", of "Het is bijna wat beter geworden". De gedachte die er achteraan komt, luidt: "en ga nou eindelijk eens door, zodat het zoden aan de dijk gaat zetten. De patiënt ziet zijn lichaam welhaast als een proefterrein. Wie als arts als het ware de bevoegdheid heeft eraan te dokteren, mag zijn gang gaan. De deelname van de patiënt aan de behandeling blijft dan beperkt tot de gedachte: "Hopelijk maakt hij niets kapot".

Tot zover Dr. Berndt Rieger.

Het Oosten

De filosofie die ten grondslag ligt aan de Chinese Geneeskunde is het Taoïsme.
De klassieke Chinese medische wetenschap is een beschrijvende wetenschap, ingebed in correspondentie-denken. Het correspondentie-denken stelt dat gebeurtenissen zich voordoen in verband met elkaar, ongeacht hun plaats in tijd en ruimte.
Chinese Geneeskunde geeft geen verklaringen aan klachten, maar beschrijft groepen symptomen en subjectieve belevingen als onderdeel van patronen die uit balans kunnen zijn en houdt daarbij rekening met de onderliggende relaties tussen verschillende patronen.

Jan Schroën haalt in zijn essay 'Cogito Ergo Sometimes Sum' zijn prof. Yuen aan die de verschillen tussen oosterse en westerse wetenschappers uitlegde aan de hand van de manier waarop zij een verrekijker gebruiken. De westerse wetenschapper gebruikt de verrekijker om de horizon dichterbij te halen, zodat hij meer details ziet. De oosterse wetenschapper draait de verrekijker om zodat hij meer horizon ziet, en daarmee de grotere verbanden.
In zijn essay "Non-lineair Dynamics and Chinese Medicine" constateert hij dat de huidige medische wetenschap hopeloos achterloopt bij de natuurkunde, scheikunde en wiskunde.
Revoluties die zich binnen die takken van wetenschap hebben afgespeeld gedurende de laatste eeuw, lijken voorbij te zijn gegaan aan de geneeskunde, die in zijn manier van denken nog ongeveer gelijk is aan dat van de 17e eeuw.
Hij geeft tevens aan waar oost en west elkaar ontmoeten:

"Op het punt waar het reductionistische systeem van de westerse wetenschap niet meer in staat is om verklaringen te geven zijn we genoodzaakt om meer beschrijvende systemen te gebruiken. Evenzo heeft het traditionele Chineze beschrijvende systeem meer details van het ausale nivo nodig om nieuwe percepties te ontwikkelen."

Psychosomatiek

Tot slot een citaat van de boeddhistische monnik Thich Nhat Hanh.
In zijn boekje "De kracht van het bidden" schrijft hij over de moderne geneeskunde:

"Sommige geneeskundigen bekijken ziekte zuiver fysiologisch. Wanneer iemand ziek is, komt dat gewoon omdat er iets fout gegaan is in het lichaam. We denken dat we alleen maar een bepaalde operatie nodig hebben of de juiste hoeveelheid pillen moeten innemen om weer gezond te worden. Dit is nog steeds de heersende kijk op ziekte.

De afgelopen vijftig jaar heeft de westerse medische wetenschap een grote vooruitgang geboekt in de erkenning dat de gezondheid van het lichaam verbonden is met de gezondheid van de geest. We weten dat wanneer het lichaam lijdt, onze geest ook lijdt. Maar het omgekeerde kan ook waar zijn. Soms hebben we een ernstige ziekte en er lijkt geen oplossing te bestaan. Misschien hebben we vaak maagklachten. We hebben allerlei medicijnen uitgeprobeerd, maar het heeft geen verschil gemaakt. Dit soort ongemak kan te maken hebben met bezorgheid en verdriet. Onze symptomen kunnen voortkomen uit belemmeringen, zorgen en lijden in onze geest. Natuurlijk, veel ziektes beginnen in het lichaam. Gifstoffen in ons milieu, erfelijke belastingen, leeftijd en toeval spelen een rol in het ziek worden. Maar zelfs deze ziektes hebben een mentale component.

De medische wetenschap noemt deze verbinding van geest en lichaam 'psychosomatisch'. In het boeddhisme spreken we ook van 'de eenheid van lichaam en geest'.

We noemen dat 'namarupa' (Sanskriet), hetgeen betekent 'naam en vorm'. Naam en vorm is een andere uitdrukking voor lichaam en geest. Wanneer de geneeskunde de eenheid van lichaam en geest begrijpt, heeft zij geaccepteerd dat 'nama' (naam) invloed heeft op 'rupa' (vorm), en 'rupa' invloed heeft op 'nama'.

Als we teveel bezorgheid hebben, kunnen we maagproblemen krijgen. Als we maagproblemen hebben, kunnen we depressief raken. Zo beïnvloeden lichaam en geest elkaar altijd.

De geneeskundige helpt het best, als hij weet hoe hij moet letten op de twee aspecten van een persoon, het fysiologische en het psychologische aspect, teneinde de beste geneesmethode te kunnen voorstellen. Zitmeditatie en bewust lopen zijn vooral zinvol bij stress en depressiegerelateerde ziektes. Studies met kinderen hebben uitgewezen dat meditatie ook invloed kan hebben op concentratiestoornissen bij kinderen. Een studie aan de universiteit van Wisconcin heeft aangetoond dat meditatie niet alleen stress en bezorgdheid reduceerde, maar ook het functioneren van het immuunsysteem verbeterde."

Tot zover Thich Nhat Hanh.

Terug naar boven